Er was eens een tijd waarin ik heel veel dingen deed. Ik werkte vaak gratis en vrijwilligde voor festivals en musea. Ik maakte plaatjes en programma’s. Ik was nog lang geen 25 en iedereen lag als een blije hond aan mijn voeten. Alles wat ik deed, was goed. Ik gooide stokken en de hond bracht ze terug. Het kon niet mis gaan. We bleven maar gooien.
Minder lang geleden zat ik naast mijn nichtje op de bank. We keken naar een klok die, ieder uur, dat uur vijf minuten later dan gepland pas aan sloeg. Ik zei dat ik het knap vond waar ze allemaal mee bezig was. Al die stokken.
“Nou,” zei ze “het is wel veel.” Ik knikte, terwijl mijn hond lag te ronken in een hoek. “Dat is het zeker.” zei ik. “Maar is het niet ook heerlijk?”
Er werden schouders opgehaald en twijfels uitgesproken. Mijn hond blies nog eens stevig door zijn neus.
“Ik heb zoveel ideeën en ik wéét wat ik kan” zei ze. En ik knikte opnieuw. “Maar uiteindelijk beland je altijd op een gang.” “Ja” zei ik. “Uiteindelijk beland je altijd op een gang.”